"En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord
Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat
het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft"
(1 Tessalonicenzen 2:13). Paulus was dankbaar dat er te Tessalonica mensen waren die het woord Gods als zodanig
hadden aangenomen. De bekering van de Tessalonicenzen wordt in Handelingen, hoofdstuk 17, beschreven. "En
hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge
der Joden was. En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten
achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, door aanhalingen uitleggende dat de Christus moest
lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zeide hij) u predik"
(Handelingen 17:1-3). Wat deed Paulus te Tessalonica? Zoals hij gewoon was, redeneerde hij met hen uit de Schriften. Hij verkondigde niet zijn
eigen meningen, of de ideeën van een of andere filosoof. Hij verkondigde het woord van God. Hij opende de Schriften en legde uit dat de Christus moest lijden en opstaan, en dat Jezus
de Christus is. Paulus predikte uit de Schriften. Hij verwachtte niet dat mensen zijn boodschap
zomaar zouden aannemen. Door de Schrift bewees hij dat zijn boodschap van God kwam en niet
van mensen. Toen Paulus voor Agrippa en Festus stond, verklaarde hij: "Als een getuige, die hulp van
God heeft ontvangen tot op deze dag, sta ik dus hier voor klein en groot, zonder iets anders te
zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou, namelijk, dat de
Christus zou lijden, en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen
en aan het volk en aan de heidenen" (Handelingen 26:22,23). Wat was het gevolg toen Paulus in de synagoge te Tessalonica de Schriften met hen
behandelde? "En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een
grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen" (Handelingen 17:4). Enigen van hen lieten zich overtuigen! Christen-worden is een kwestie van persoonlijke
overtuiging. Men moet bereid zijn zich te laten overtuigen, want de waarheid kan ook
verworpen worden. Men kan weigeren het bewijs te aanvaarden. Zij die tot geloof kwamen, sloten zich bij Paulus en Silas aan. Het aanvaarden van Jezus
als de Christus houdt ook in dat men zich aansluit bij de gelovigen. Te Tessalonica ontstond er
een gemeente van Christus. Later richtte Paulus twee brieven "aan de gemeente
der Tessalonicenzen in God, de Vader, en de Here Jezus Christus" (1 Tessalonicenzen 1:1;
2 Tessalonicenzen 1:1). En wat van hen die het woord Gods niet wilden aanvaarden? "Maar de Joden werden
afgunstig en namen enkele van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en
brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen
voor de volksvergadering te brengen. Maar toen zij hen niet vonden, sleurden zij Jason en enige
broeders voor de stads-bestuurders, en schreeuwden: Dezen, die de wereld in opschudding
gebracht hebben, zijn ook hier gekomen, en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. En zij
handelen allen in strijd met de geboden van de keizer door te beweren, dat er een andere koning,
Jezus, is. En zij maakten de bevolking en de stads-bestuurders, die dit hoorden, ongerust. Doch
toen dezen van Jason en de anderen een borgtocht hadden ontvangen, lieten zij hen vrij. Maar de
broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea" (Handelingen 17:5-10). Na het lezen van deze tekst in Handelingen, verstaan wij waar Paulus het over had toen
hij schreef: "Hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord
Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat
het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft"
(1 Tessalonicenzen 2:13). Het woord van God mogen wij niet aannemen alsof het zomaar het woord van mensen
was. Gelukkig was dit niet het geval bij de Tessalonicenzen, maar zoiets komt wel voor. Vele
theologen, bij voorbeeld, behandelen Gods woord alsof het mensenwerk was. Ze prutsen ermee
en doen daarmee wat ze willen. Indien u Gods woord aanziet als woord van mensen, zult u vroeg of laat de waarheid
verwisselen voor de leugen. De eerste de beste valse leraar die langskomt, zal u door zijn
schoonklinkende woorden ompraten. Woorden van mensen zijn er trouwens genoeg in deze wereld. Wij mogen ons daardoor
niet laten misleiden. Het vereren van God op basis van menselijke leerstellingen en dogma's, is verloren moeite.
Over de huichelaren onder de Joden zei Jezus: "Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is
verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn"
(Matteüs 15:8,9). Paulus schreef aan de Korintiërs: "Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met
schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. Want ik had niet
besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd. Ook kwam ik in zwakheid,
met veel vrezen en beven tot u; mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende
woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op
wijsheid van mensen, maar op kracht van God" (1 Korintiërs 2:1-5). Ook voor christenen is er gevaar. Ook zij kunnen zich door menselijke leerstellingen laten
misleiden. Daarom schreef Paulus aan de jonge evangelist, Titus: "Weerleg hen kortweg, opdat
zij gezond mogen zijn in het geloof, en niet het oor lenen aan Joodse verdichtsels en geboden van
mensen, die zich van de waarheid afkeren" (Titus 1:14). Hij waarschuwde de Kolossenzen: "Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn
wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de
wereldgeesten en niet met Christus" (Kolossenzen 2:8). Laten wij het gepredikte woord Gods aannemen, en ons niet laten misleiden door woorden
van mensen. "En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord
Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat
het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft"
(1 Tessalonicenzen 2:13). Het woord van God moet in ons werkzaam zijn. Jezus zei: "Zalig, die het woord Gods
horen en het bewaren" (Lucas 11:28); "Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren
en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen. Wie Mij niet
liefheeft bewaart mijn woorden niet" (Johannes 14:24). Men moet Gods woord doen en niet slechts horen: "Legt dus af alle vuilheid en alle
uitwas van boosheid en neemt met zachtmoedigheid het in u geplante woord aan, dat uw zielen
kan behouden. En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden.
Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat,
waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt; want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan
en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag. Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der
vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal
zalig zijn in zijn doen" (Jakobus 1:21-25). Eerst moet Gods woord in ons zijn, om in ons werkzaam te zijn! "Het woord van
Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst" (Kolossenzen
3:16). "Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij
prediken. Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God
Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot
gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis" (Romeinen 10:8-10). Gods woord
moet in ons zijn! Gods woord moet in ons werkzaam zijn! "En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord
Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat
het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft"
(1 Tessalonicenzen 2:13). Gods woord is werkzaam in u, die gelooft. "Zo is dan het geloof uit het horen, en het
horen door het woord van Christus" (Romeinen 10:17). Door het horen kwamen ook de apostelen
tot geloof: "Toen Hij dan opgewekt was uit de doden herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit
gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had" (Johannes 2:22).
Jezus had beloofd: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die
Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel" (Johannes 5:24). "Velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig" (Handelingen 4:4). Kort voor zijn dood schreef Petrus: "Wij achten het profetische woord (daarom) des te
vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats,
totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Dit moet gij vooral weten, dat
geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie
voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van
Godswege gesproken" (2 Petrus 1:19-21). "Hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord
Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat
het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft"
(1 Tessalonicenzen 2:13).
Roy Davison
De schriftgedeelten in dit artikel zijn uit de Nieuwe Vertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 1951 (tenzij anders aangeduid).